DIAFRAGMA

1. DIAFRAGMA UITGELEGD

We zien veel creatieve mogelijkheden met het diafragma maar laten we niet vergeten dat het in eerste instantie een lichtregelaar is. Fotograferen is namelijk niets anders dan schrijven met licht. We hebben dan ook een minimale hoeveelheid met licht nodig waarmee we de foto kunnen maken en het diafragma geeft onder andere die mogelijkheid. Samen met de ISO-waarde en de sluitertijd bepaalt het de belichting dat ervoor zorgt hoe je het licht kunt regelen dat op je sensor valt.

Het beste is het diafragma uitgelegd met een opening waardoor het licht van de omgeving de sensor van de camera kan bereiken. Het diafragma zit niet in je camera, het zit in de lens waarmee je fotografeert. Het bestaat uit een aantal lamellen waarmee je de diafragma opening kunt aanpassen om het binnenvallend licht te regelen.

2. DIAFRAGMAWAARDE EN F/GETALLEN.

Zoals gezegd is het diafragma in eerste instantie een lichtregelaar. Door de lamellen groter of kleiner te verstellen kun je de hoeveelheid licht regelen. Je bepaalt hiermee de hoeveelheid licht die door de lens op je sensor in de camera valt. Het is dus mogelijk om met het diafragma te regelen en te bepalen of je foto goed belicht, onderbelicht of juist overbelicht is. Bij het verstellen van de lamellen heb je de mogelijkheid om de opening (diafragma) groter te de draaien of juist kleiner. Sluit je het diafragma tot het verste punt, dan komt er door het kleine gaatje nog maar weinig licht door tot de sensor. Draaien we de andere kant op dan vergroten we juist de opening en laten we de maximale hoeveelheid licht binnen die aanwezig is.

Voor deze instellingen van het diafragma is een bepaalde standaard afgesproken. De diafragma getallen worden weergegeven door het getal met de notatie ‘f/’ ervoor. We noemen dit getal ook wel de diafragmawaarde. Aan de hand van deze getallen wordt het diafragma uitgelegd

Diafragma F/22

Diafragma F/13

Diafragma F/5

– DIAFRAGMA GETALLEN OP EEN RIJ

Op deze afbeelding kun je de diafragmawaarde in getallen op een rij zien. Wat opvalt is dat hoe lager de diafragmawaarde, des te groter de lensopening en hoe meer licht er wordt doorgelaten. Dit klinkt in eerste instantie niet logisch. Bij een laag, dus klein getal, zou je ook een kleine opening verwachten. Maar een kleine diafragmawaarde (F1.4) betekent een grote lensopening en dus veel licht. Daarentegen betekent een hoge diafragmawaarde van F22 een kleine opening en dus weinig licht. Laat het even op je inwerken wat hier gebeurt. Meestal wanneer het diafragma uitgelegd wordt zorgt dit voor de nodige verwarring;-)

Als je goed kijkt zie je dat er een zekere logica in deze nummers zit. Elk getal wordt wel een keer vermenigvuldigd: f/1,4 wordt f/2,8, f/4 wordt f/8 en f/11 wordt f/22. Maar er zit elke keer een getal tussen.  Hoe groter het getal wordt, hoe meer licht er wordt tegengehouden. Dit gebeurt doordat de lensopening per stap wordt gehalveerd. Dat betekent dus dat elke keer als er naar een groter diafragmagetal wordt gedraaid, de hoeveelheid licht die door de lens komt opnieuw wordt gehalveerd. Elke stap tussen de getallen noemen we een ‘stop’.


3. WAT IS SCHERPTEDIEPTE

Nu het diafragma uitgelegd is, komt er een tweede mogelijk om de hoek kijken. Behalve licht regelt het diafragma ook de scherptediepte. Als je een foto maakt, is nooit alles vanaf je voeten tot aan de horizon scherp in beeld. Alleen dat wat zich binnen een bepaald bereik bevindt, zal mooi scherp op de foto komen: dat is de zogeheten scherptediepte. Zodra je ergens op scherpstelt, begint het scherpe gebied altijd een stukje dichterbij en zal het doorlopen tot ergens achter het scherpstelpunt. Voor het gemak kun je scherptediepte daarom ook scherpte in de diepte noemen. De scherptediepte is niet altijd hetzelfde en is onder meer via het diafragma te beïnvloeden.

4. GROOT EN KLEIN DIAFRAGMA

Deze scherptediepte is van een aantal factoren afhankelijk; de grote van de sensor, het brandpuntafstand van het objectief, de afstand tot je onderwerp en het diafragma. De stelregel is dat je bij grote lensopeningen weinig scherptediepte hebt. En andersom: bij kleine lensopeningen is er veel scherptediepte.

De afstand tot het onderwerp is cruciaal. Hoe dichterbij het onderwerp je bent, hoe kleiner de scherptediepte. Vandaar dat je bij macrofotografie vaak maar enkele millimeters of nog minder aan scherptediepte hebt. Neem je meer afstand tot je onderwerp, dan neemt de scherptediepte automatisch toe. Ook de brandpuntsafstand speelt mee, want bij langere objectieven (tele) heb je aanzienlijk minder scherptediepte dan bij een groothoek. Wil je de achtergrond onscherp op de foto hebben, ga dan dicht naar je onderwerp toe en zorg dat er niets vlak achter bevindt. Want hoe groter de afstand van je onderwerp tot de achtergrond, hoe onscherper die wordt. Een grote scherptediepte wordt juist vaak gebruikt bij landschapsfotografie, waar elk voorwerp duidelijk te onderscheiden moet zijn.

5. DIAFRAGMA EN OBJECTIEVEN.

Wie de lens van zijn camera eens goed bekijkt zal opgevallen zijn dat het F/getal vaak op je objectief (lens) staat afgedrukt. Hiermee geeft de fabrikant de maximum opening en minimum opening van het het objectief aan. Je kunt er ook de kwaliteit van het objectief aan aflezen. Hiermee is ook gelijk de prijs/kwaliteit van het objectief en diafragma uitgelegd. Over het algemeen is het zo dat hoe lager het getal, hoe zwaarder en duurder de lens zal zijn.

Een 28-135mm lens kent bijvoorbeeld de toevoeging f/3.5-5.6. Dit betekent dat bij de grootste hoek van 28mm de maximale opening van het diafragma 3.5 is, bij de meeste inzoom op 135mm is dit ‘nog maar’ f/5.6. Er zijn ook zoomlenzen met een vaste waarde over het hele bereik. Een 70-200mm f/2.8 lens heeft een maximale opening van f/2.8 op zowel 70mm als op 200mm. Het voordeel daarvan is dat je bij het inzoomen niets aan licht inlevert. Nadeel is wel dat ze duurder zijn, groter en daarom ook meer wegen.

– MAXIMALE SCHERPTE

De scherpte van het beeld wordt ook mede bepaald door het diafragma. Geen enkele lens heeft dezelfde scherpte van de maximale tot de minimale opening. Er is een bepaald gedeelte van de lens waarbij je de beste resultaten haalt. Fotografen kiezen er dan vaak voor om een lens ‘af te stoppen’, ze gaan een paar stapjes boven het maximale diafragma zitten (bijvoorbeeld f/4 in plaats van f/2) om maximale scherpte te bereiken. Hetzelfde geldt voor het beperken van lensfouten zoals vignetting en ‘chromatische abberatie’ (paarse randjes langs het onderwerp). Zoals alles met fotografie, je kunt het zo duur maken als je wilt en alles is een compromis. Maak de keuze die het beste bij je past en waarmee jij overweg kunt.

 6. FOTOGRAFEREN MET WEINIG LICHT

Fotografeer je met weinig licht, dan wil je een groot diafragma kunnen gebruiken. Een grote lensopening laat immers veel licht door. Net als met het pupil van je oog ziet een camera namelijk veel meer in het donker als die (pupil/diafragma) helemaal open staat. Het verschil tussen een diafragma van f/2,8 en f/4,5 lijkt misschien klein, maar in de praktijk betekend dat een halvering van de hoeveelheid licht. Onderschat dit verschil niet wanneer er weinig omgevingslicht aanwezig is. Nog leuker wordt het met echt lichtsterke lenzen, zoals een f/1,4 objectief. Dan kun je snellere sluitertijden en lagere iso-waarden instellen. Lenzen met zo’n extreme lichtsterkte hebben bijna altijd een vast brandpunt. Je kunt er dus niet mee zoomen. Ze worden ook wel ‘primes’ genoemd. populaire primes zijn onder andere 24, 50 en 85 mm.

7. DIAFRAGMA PRIORITEIT EN DE BELICHTINGSDRIEHOEK

In totaal zijn er drie factoren waarmee wordt bepaald hoe een foto uit de camera komt. We noemen dit de belichtingsdriehoek die bestaat uit het diafragma, ISO waarden en de sluitertijd. Gelukkig hoef je je nu niet meteen met alle drie bezig te houden, veel camera’s kennen een diafragma-prioriteit modus. Door deze functie in te schakelen kun je een f waarde selecteren. De camera zorgt er zelf voor dat de goede sluitertijd er bij wordt gezocht. Je voorkomt hiermee dat je foto niet wordt onderbelicht of wordt overbelicht. Wil je de achtergrond onscherp hebben, kies dan voor waarden kleiner dan f/5.6 (afhankelijk van hoe ver je inzoomt). Voor veel scherptediepte kies voor waarden vanaf f/8-f/11.

Zoals met alles wat met fotografie te maken heeft, het effect dat je kunt bereiken is erg afhankelijk van de situatie, dus probeer vooral te experimenteren. Probeer dezelfde foto op verschillende f/waarden te maken. Bekijk de foto’s op je computer ontdek de verschillen. Leer van de verschillen ontdek hoe je het beste de gewenste effecten kunt bereiken.